Obesitas (overgewicht)

 

De oorzaken van overgewicht

 
Niemand wordt dik van de lucht. U wordt pas zwaarder wanneer uw lichaam meer calorieën binnenkrijgt dan er worden verbrand. Het overschot aan calorieën wordt dan opgeslagen als vet. En daardoor neemt uw gewicht toe.
Het maakt daarbij niet uit waar die calorieën vandaan komen. Of u ze haalt uit bruine boterhammen met kaas of uit een reep chocola. Uw lichaam maakt geen onderscheid tussen ‘gezonde’ en ‘ongezonde’ calorieën. Het telt gewoon alle calorieën bij elkaar op, en verbruikt er weer een aantal. Wat niet verbruikt wordt, wordt in de vorm van vetweefsel opgeslagen als reserve.

Toch wordt niet iedereen dik. En lijken sommige mensen alles te kunnen eten terwijl anderen al van één patatje aankomen. Dat komt omdat er verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van overgewicht.

Stofwisseling

Iedereen heeft zijn eigen stofwisseling. Die stofwisseling is bepalend voor het aantal calorieën dat u per dag verbruikt. Dunne mensen hebben vaak van nature een hogere stofwisseling dan dikke mensen. Dunne mensen blijven daardoor moeiteloos dun, terwijl dikke mensen makkelijk nog dikker worden.

Warmte

Het eten dat we binnenkrijgen levert energie. Wanneer uw lichaam meer energie binnenkrijgt dan het nodig heeft, kan het een deel van die energie omzetten in warmte. En van warmte wordt u niet dik. Helaas werkt dit warmtemechanisme (ook wel regulatieve thermogenese genoemd) minder goed bij dikke mensen. Bij hen wordt de overtollige energie dus eerder omgezet in vet.

Insuline

Wanneer u koolhydraten eet, komt er glucose in je bloed. Het lichaam gebruikt die glucose als brandstof, en heeft daarbij insuline nodig. Telkens wanneer het glucosegehalte in uw bloed (ook wel de bloedsuikerspiegel genoemd) stijgt, komt er insuline vrij.
De hersenen krijgen dan een signaal dat het energieverbruik omhoog moet (er komt nu immers brandstof binnen) en na een poosje dat er voldoende gegeten is. Mensen met een normaal gewicht reageren op dit seintje door te stoppen met eten.
Bij mensen met overgewicht komt het ‘insulinesignaal’ niet goed door; zij eten dus sneller te veel.

Stress

Stress wordt meestal in verband gebracht met problemen, drukte en spanningen. En dat klopt. Maar ook verveling, verdriet of eenzaamheid veroorzaken stress. Stress maakt dat u zin krijgt in zoet en snoep. Die zoetigheid stimuleert de aanmaak van endorfinen, stoffen die voor een goed gevoel zorgen. Maar endorfinen vergroten ook weer de zin in zoet voedsel. Zodat u nog meer snoept, er nog meer endorfinen vrij komen.

Sporten

Wanneer u beweegt, verbrandt u calorieën. Dat is de reden dat sporten altijd een onderdeel zou moeten zijn van een dieet.
. Wie regelmatig sport, wordt daarvoor nog eens extra beloond: de ruststofwisseling stijgt erdoor. U verbruikt daardoor elke dag - zonder dat u er iets extra’s voor hoeft te doen - meer calorieën.
Uit onderzoek blijkt echter dat we in Nederland nog veel te weinig aan beweging doen. Maar liefst de helft van alle Nederlanders beweegt minder dan een half uur per dag, en dan zijn dingen als fietsen, wandelen en tuinieren al meegeteld. Doet u ook te weinig aan lichaamsbeweging? Dan werk u overgewicht in de hand.
 
 

Quetelet Index

 

De Quetelet Index is een methode voor het bepalen van onder-, normaal-, of overgewicht. Het is de meest gehanteerde methode en vrij betrouwbaar.
De Quetelet Index geldt voor mannen en vrouwen vanaf 20 jaar.
De Q-index maakt geen onderscheid tussen spiermassa en vetmassa. Bij gespierde sporters kan de Q-index dus te hoog zijn zonder dat dit duidt op een te hoog percentage lichaamsvet.
Probeert u het gerust zelf:

Lengte in hele cm:
Gewicht in hele kg.

  • Minder dan 18: u bent te mager en er bestaat risico voor uw gezondheid. Raadpleeg de huisarts.
  • 18 - 24: prima gewicht!
  • 25 - 29: licht overgewicht en afvallen is gewenst.
  • 30 of meer: ernstig overgewicht! Afvallen is medisch noodzakelijk.
  •  

    Vetpercentage

     
    Via huidplooimeting kan de vetmassa als percentage van het lichaamsgewicht bepaald worden.
    Ook dit is een indicatie; de uitkomst kan gemakkelijk een procent of wat afwijken van de werkelijke waarde.
    De meting dient uitgevoerd te worden door iemand anders dan jezelf, met een speciale vetklem en op 4 verschillende plaatsen, aan de linkerzijde van het lichaam.
    De spieren dienen ontspannen te zijn.
    Telkens met duim en wijsvinger een royale huidplooi van de onderlaag oppakken (min of meer verticaal maar wel evenwijdig aan de elastische vezels in de huid), vast blijven houden, de vetklem erop en direct aflezen.
    De som van de vier metingen (in mm) wordt opgezocht in een per geslacht en leeftijd gedifferentieerde tabel.
      Meet:
    1. op de biceps (arm laten hangen, handpalm naar voren, meet midden op de voorkant van de bovenarm),
    2. op de triceps (arm laten hangen, meet midden op de achterkant van de bovenarm),
    3. onder het schouderblad (bij de laagste punt),
    4. in het middel (de zij, juist boven de heuppunt).
    5. Geslacht:
      Leeftijd:
      Biceps (mm)
      Triceps (mm)
      Schouder (mm)
      Middel (mm)

      Gezonde, maar niet speciaal getrainde mensen (een contradictio in terminis?) zullen ongeveer de volgende waarden vinden:

      Man Vrouw
      17-29 jaar: 15,0 % 25,0 %
      30-39 jaar: 17,5 % 27,5 %

      Afgetrainde mannen hebben ongeveer 8 % vet, vrouwen 14 %.

     
     

    Streefcijfers

     
    Vul eerst uw gegevens in eerder op deze pagina.
    Streef naar

    Nieuw gewicht (kg): via oud gewicht en vetpercentage, of lengte
    Gewichtsverschil (kg): via oud en nieuw gewicht
    Vetpercentage (%): via oud gewicht en vetpercentage en nieuw gewicht
    Quetelet-index: via lengte en nieuw gewicht
     
     

    Relevante Links:

    Startpagina Overgewicht
    Bereken BMI
     
     
    home